Ergens tussen de dertien en achttien maanden komt het moment: je peuter weigert het ochtenddutje, of valt pas om vier uur in slaap voor wat ooit een rustige middagdut was, of staat ineens om half zes 's ochtends klaarwakker in bed. Welkom bij een van de meest verwarrende slaapovergangen van de eerste twee levensjaren, de stap van twee dutjes naar één.

Het lastige is dat de overgang zelden in één weekend gebeurt; er volgen meestal een paar weken waarin je peuter te oud lijkt voor twee dutjes en tegelijkertijd te jong voor één. In die tussenfase is bijna alles tijdelijk: korte dutjes, lange dutjes, vroege bedtijden, late bedtijden, een mooie ochtend en een vreselijke namiddag.

Dit artikel zet de signalen, de fouten, het stappenplan en de week-voor-week verwachtingen op een rij, zodat je niet aan jezelf gaat twijfelen wanneer het even helemaal niet loopt.

Bekijk ook de gids voor slaapcoaches als je aanbieders, tarieven en keuzes in de buurt wilt vergelijken.

In het kort: De meeste peuters maken de overgang van twee naar één dutje tussen 13 en 18 maanden. Je herkent het aan: het tweede dutje wordt structureel geweigerd, je peuter gaat 's avonds steeds later slapen, of staat 's ochtends te vroeg op. Maak de overstap geleidelijk: schuif het ochtenddutje elke paar dagen iets later, tot het 'n echt middagdutje wordt rond half één. Verwacht twee tot vier weken chaos. Vervroeg in die periode de bedtijd met dertig tot zestig minuten om oververmoeidheid op te vangen. Geen verbetering na vier weken? Even met een kinderslaapcoach overleggen kan veel ruis besparen.

Het korte advies

Wacht niet tot je peuter dagenlang volledig instort, maar wacht ook niet op de eerste keer dat hij zijn ochtenddutje overslaat. Stap over wanneer minstens twee van de drie klassieke signalen langer dan tien dagen aanhouden: het tweede dutje wordt geweigerd, het inslapen 's avonds wordt structureel later, of het ochtendwakker-worden verschuift te vroeg.

Verschuif vervolgens het ochtenddutje in stappen van vijftien tot dertig minuten per drie à vier dagen later, tot het uitkomt op een echt middagdutje tussen kwart over twaalf en kwart over één. Houd het dutje op zo'n anderhalf à twee uur, niet langer.

Vervroeg de bedtijd tijdelijk met een halfuur tot een uur in de overgangsweken.

Verwacht drie tot vier weken voor het stabiel wordt, geef niet halverwege op en blijf consistent in het ritueel rond zowel het dutje als bedtijd. Dat is, in twee alinea's, de hele lijn van wat de meeste peuters nodig hebben.

Leeftijd: waarom 13–18 maanden

De leeftijd waarop peuters de overgang van twee naar één dutje maken ligt niet bij iedereen op hetzelfde moment, maar in een vrij voorspelbare bandbreedte.

Internationaal kinderslaaponderzoek laat een patroon zien waarin ongeveer 20% van de peuters de overgang maakt voor de vijftiende maand, ongeveer 60% tussen vijftien en zeventien maanden, en de overige 20% pas na de achttiende maand.

Voor vijftien maanden is biologisch nog erg vroeg; voor twintig maanden is het meestal echt aan de late kant. Wie dat weet, hoeft niet met een nichtje of buurmeisje te vergelijken, er is veel ruimte binnen normaal.

Wat er biologisch gebeurt, is dat de zogenoemde slaapdruk-opbouw in het kinderbrein langzaam vertraagt. Een baby van acht maanden kan ongeveer drie tot vier uur wakker zijn voordat hij oververmoeid raakt; een peuter van vijftien maanden zit makkelijk op vier tot vijf uur, en op achttien maanden vaak op vijf à zes uur.

Met die langere wakkere intervallen past simpelweg geen schema meer met twee gescheiden dutjes plus voldoende nachtrust.

Het ochtenddutje wordt overbodig of korter, of het schuift door richting de middag en eet zo de middagdut op. Tegelijkertijd verlengt het middagdutje zich vanzelf naar een blok van anderhalf à twee uur.

Dat samenspel, langere wakkere periodes en een groter eenheidsdutje, maakt de overgang fysiologisch logisch tussen 13 en 18 maanden.

Signalen dat je peuter klaar is

De drie meest betrouwbare signalen dat je peuter klaar is voor één dutje per dag zijn opvallend concreet: hij weigert structureel het tweede dutje, hij gaat 's avonds steeds later in slaap valt of wordt 's ochtends opvallend vroeger wakker.

Een enkel keer een dutje overslaan, een vroege ochtend op vakantie of een week ziek-zijn telt niet, het gaat om patronen die minimaal tien tot veertien dagen aanhouden bij verder normale gezondheid.

Een minder bekend maar ook waardevol signaal is hoe je peuter zich in zijn wakkere uren gedraagt. Een kind dat klaar is voor één dutje kan tussen ontbijt en lunch vrolijk spelen zonder kribbig te worden, en heeft 's middags duidelijk slaap nodig, niet pas om half drie, maar al rond twaalf uur.

Een kind dat nog twee dutjes nodig heeft, instort doorgaans rond half elf en is dan echt niet meer aanspreekbaar.

Let dus niet alleen op het bed-gedrag, maar ook op de gemoedstoestand op gewone momenten van de dag. Bij twijfel: schrijf een week lang elke ochtend op hoe lang en hoe goed je peuter wakker bleef tussen ontbijt en lunch.

Het patroon laat zich vaak duidelijker zien dan op een enkele dag.

Signaal 1: het tweede dutje weigeren

Het eerste en meest opvallende signaal is dat het tweede dutje van de dag, bij de meeste peuters het dutje van half drie of drie uur 's middags, wordt geweigerd. Je peuter ligt in bed, kletst, zingt, roept of huilt, maar slaapt niet meer.

Soms duurt het vijfenveertig minuten voor hij eindelijk indut, en dan slaapt hij twintig minuten en is daarna klaar om door te spelen tot bedtijd. Andere keren slaapt hij anderhalf uur en kun je hem 's avonds onmogelijk in bed krijgen voor tien uur.

Het venijn hier is dat een paar weken eerder dat tweede dutje nog moeiteloos kwam. Ouders denken dan vaak: hij is uit zijn ritme, het is een fase, het komt morgen weer.

En soms klopt dat ook, een korte tandenfase, een verkoudheid of een drukke logeerweekend kunnen tijdelijk roet in het eten gooien.

Maar wanneer het patroon van weigeren minstens tien dagen volhoudt, is dat het signaal dat de slaapdruk niet meer voldoende opbouwt voor twee gescheiden blokken.

Dan is doorzetten met twee dutjes contraproductief: je peuter ligt te lang in bed te kletsen, raakt geassocieerd met "bed = wakker spelen", en dat ondermijnt de slaaphygiëne die je hard nodig hebt voor de volgende fase.

Signaal 2: avonds wakker en laat naar bed

Een minder zichtbaar maar zeer betrouwbaar signaal is dat het inslapen 's avonds steeds later wordt. Een peuter die om kwart voor acht normaal binnen tien minuten in slaap valt, blijft ineens een halfuur tot een uur klaarwakker.

Hij zingt, roept, vraagt om water, klimt uit bed of speelt met zijn knuffel.

Geen drama, geen overstuur, gewoon niet moe. Pas rond negen uur valt hij in slaap, en je weet dat dat te laat is voor zijn leeftijd.

Dit gebeurt omdat het tweede dutje, dat eigenlijk al overbodig wordt, te dicht op de bedtijd komt te zitten. De slaapdruk die zich vanaf vier uur normaal opbouwt, wordt afgekapt door dat late dutje.

Bij sommige peuters zie je dit zelfs als het tweede dutje nog 'normaal' lijkt te lopen, de slaap erin is licht en kort, maar genoeg om de avond-slaapdruk in de weg te zitten.

Een handige check: noteer een week lang het tijdstip dat je peuter daadwerkelijk in slaap valt 's avonds. Als dat structureel later dan acht à kwart over acht is geworden zonder dat je iets aan het ritme hebt veranderd, is dat een sterk signaal richting de overgang.

Signaal 3: te vroeg wakker 's ochtends

Een verraderlijk signaal is dat je peuter ineens elke ochtend om half zes, kwart voor zes of zes uur volledig wakker is, niet huilend, gewoon klaarwakker en klaar om de dag te beginnen. Het lijkt op het eerste gezicht een aparte kwestie die niets met dutjes te maken heeft, maar het hangt er vaak juist alles mee samen.

Wanneer een peuter te veel dagslaap krijgt, twee dutjes terwijl één al genoeg is, wordt zijn 24-uurs slaapbehoefte als het ware 'vol' voordat de nacht voorbij is. Het lichaam kalibreert dan de wektijd naar voren.

Wat dit ingewikkeld maakt: ouders reageren intuïtief vaak met "dan moet hij 's ochtends eerder een dutje", wat het probleem juist versterkt. Het patroon ontstaat: vroeg wakker, vroeg ochtenddutje, kort middagdutje, vroeg in bed, weer vroeg wakker.

Wanneer je dit signaal vooral met laat naar bed gaan combineert (signaal 2), is de richting duidelijk: er gaat overdag te veel slaap in, en de overgang naar één dutje gaat dat oplossen.

Vaak verschuift de wektijd binnen tien tot veertien dagen na het invoeren van één dutje terug naar half zeven of zeven uur, een van de mooiere bijvangsten van deze overgang.

Fout 1: te snel overstappen

De grootste fout die ouders maken is dat ze bij de eerste keer dat het tweede dutje wordt geweigerd direct schakelen naar één dutje per dag. Het is begrijpelijk, je peuter ligt een halfuur te brullen in bed, je hebt geen zin in de strijd, en de buurvrouw vertelde dat haar dochter al maanden één dutje doet.

Dus de volgende dag: geen ochtenddutje meer, één middagdut tussen 12 en 14 uur, klaar.

Het probleem is dat één enkele keer geen patroon is. Veertien maanden oud is voor de overgrote meerderheid van peuters fysiologisch nog aan de vroege kant; rond zeventien à achttien is realistischer.

Te snel overstappen geeft een oververmoeide peuter die in de namiddag onhandelbaar wordt, 's avonds slecht inslaapt door overprikkeling, 's nachts vaker wakker wordt en 's ochtends weer vroeg op staat.

Dat lijkt op signalen dat de overgang niet werkt, maar het is in werkelijkheid een te vroege overgang die het hele slaapsysteem uit balans gooit. Houd minstens tien dagen patroonbewijs aan voor je definitief omschakelt, dat is zelden te lang en bijna altijd te kort.

Fout 2: de overgang overslaan

De tweede klassieke fout is het tegenovergestelde: ouders zien dat het tweede dutje moeizaam loopt, en in plaats van de overgang stapsgewijs te maken kappen ze het ochtenddutje van de ene op de andere dag. Maandag nog twee dutjes, dinsdag opeens één.

Geen geleidelijke verschuiving, geen tussenperiode. Dat lijkt efficiënt maar werkt zelden.

De reden is dat een peuter die om half tien gewend is in zijn bed te liggen, niet zomaar van het ene moment op het andere kan blijven oprijden tot kwart over twaalf. Dat zijn drie wakkere uren extra, en de eerste paar dagen is dat veel.

Je peuter raakt rond elf uur al zichtbaar moe, valt om kwart voor twaalf in zijn yoghurt, en wanneer je hem dan naar bed brengt slaapt hij anderhalf uur, om vervolgens om half twee weer wakker te zijn voor de hele middag.

Resultaat: een oververmoeide peuter rond half vijf en een dramatische bedtijd. De geleidelijke benadering, ochtenddutje per drie à vier dagen vijftien tot dertig minuten later schuiven, geeft het lichaam tijd om de slaapdruk-opbouw te verlengen.

Fout 3: het middagdutje te laat plannen

Een derde veelgemaakte fout in de overgangsfase is het middagdutje pas rond half twee of twee uur 's middags plannen. Dat lijkt logisch, hoe later het dutje, hoe makkelijker je peuter ervoor uit te houden valt, en hoe langer hij doorslaapt.

In de praktijk werkt dit averechts.

Een middagdutje dat begint na één uur eindigt meestal pas rond drie uur, waardoor de wakker-tijd tot bedtijd te kort wordt om voldoende slaapdruk op te bouwen. Het inslapen 's avonds wordt moeilijk, de bedtijd schuift naar negen uur, en je begint het hele probleem dat je net wilde oplossen opnieuw.

Het sweet spot voor het ene middagdutje van een peuter tussen vijftien en twintig maanden ligt tussen kwart over twaalf en kwart over één. Eerder dan twaalf uur betekent vaak dat je peuter na het dutje nog vijf à zes uur wakker moet zijn voor bedtijd, dat is voor velen te lang.

Later dan half twee betekent dat de avond-slaapdruk niet meer rondkomt.

Mik op een dutje van anderhalf à twee uur dat eindigt tussen half drie en drie uur, gevolgd door een rustig middagprogramma en een normale bedtijd rond half acht.

Wanneer je peuter spontaan korter slaapt of vroeger wakker is, niet meteen verlengen door later in te leggen, wees consistent met het tijdslot en laat de duur zich vanzelf reguleren.

De overstap stap voor stap

De praktische uitvoering van de overgang is verrassend rechtlijnig wanneer je het opbreekt in drie fasen. Fase één is voorbereiding: je hebt minstens tien dagen aan signalen gezien en bent overtuigd dat het tijd is.

Je informeert eventueel opvang en oma-opa, en je accepteert dat de komende drie à vier weken het slaapritme niet rustig zal zijn.

Fase twee is het schuiven. In plaats van het ochtenddutje per direct te schrappen, schuif je het elke drie tot vier dagen vijftien tot dertig minuten later.

Was het ochtenddutje altijd om half tien, dan wordt het de eerste drie dagen om kwart voor tien, daarna om tien uur, daarna om kwart over tien, en zo verder.

Tegelijkertijd kort je de duur van het ochtenddutje langzaam in, niet meer dan een uur, daarna drie kwartier, daarna een halfuur.

Na ongeveer tien tot veertien dagen is het ochtenddutje in feite een middagdutje geworden dat rond half één begint, en kun je de stop op het ochtenddutje officieel zetten.

Fase drie is stabilisatie. Vanaf nu één dutje per dag tussen kwart over twaalf en kwart over één, anderhalf à twee uur lang.

Vervroeg in de eerste twee weken de bedtijd met dertig tot zestig minuten. Houd het inslaapritueel rond het dutje kort en voorspelbaar: gordijnen dicht, knuffel, één liedje of boekje, kus, weg.

Verander niets anders gedurende deze weken, geen nieuwe slaaphouding, geen training voor doorslapen, geen vakantie naar oma. Eén verandering tegelijk, dat is de gouden regel van peuter-slaaptransities.

Week 1: de tijdelijke chaos

De eerste week na de definitieve overgang is voor veel ouders het zwaarst. Je peuter is een nieuw ritme aan het leren waar zijn lichaam nog niet aan gewend is.

Verwacht het volgende: het middagdutje begint te kort (vijftig minuten in plaats van anderhalf uur), je peuter is rond half vijf 's middags zichtbaar oververmoeid, hij is rond etenstijd onhandelbaar of huilerig, en hij valt 's avonds in een uitputtingsslaap die soms al om zes uur kan beginnen.

Soms staat hij 's nachts één à twee keer kort op met huilbuien die je niet gewend bent.

Dit is geen teken dat de overgang mislukt, het is exact wat je verwacht in week één. Wat helpt: vervroeg actief de bedtijd.

Als je peuter normaal om half acht in bed ligt, leg hem in deze week om zes uur of half zeven in. Een uur eerder is in week één geen luxe maar bijna noodzakelijk om hem niet in een oververmoeide neerwaartse spiraal te laten zakken.

Houd het middagprogramma rustig, geen lange supermarktbezoeken, geen drukke speelafspraken na het dutje.

Een rustige wandeling, een puzzel, eenvoudig spel. En tot slot: jezelf eraan herinneren dat dit een fase is.

Drie weken vanaf nu is het waarschijnlijk een rustig, voorspelbaar ritme.

Week 2: het ritme stabiliseert

Vanaf week twee zie je meestal de eerste tekenen dat het lichaam zich aanpast. Het middagdutje wordt langer, niet plotseling, maar geleidelijk.

Waar de eerste week vijftig minuten kort dutje was, zie je in week twee dutjes van een uur, anderhalf uur, soms tweeëneenhalf.

De namiddagstemming wordt rustiger, het instorten rond half vijf vermindert, en het avondinslapen verschuift terug naar het normale tijdstip.

Er kunnen nog wel hobbelige dagen tussen zitten. Een dag waarop het dutje weer kort is, of een avond waarop je peuter ineens om half negen pas slaapt.

Dat is normaal in een stabilisatiefase, geef niet meteen op of begin niet weer over het ochtenddutje na te denken. Geef de tweede week minstens zeven volledige dagen voor je conclusies trekt.

Als de algemene tendens in week twee positief is (langere dutjes, betere ochtenden, rustigere namiddagen), zit je op koers.

Je kunt vanaf het einde van week twee de bedtijd voorzichtig weer naar achteren schuiven, vijftien minuten per drie à vier dagen, tot je weer op je normale tijdstip zit.

Terug naar 2 dutjes tijdens een regressie?

Een veelgestelde vraag is: wat als mijn peuter zes weken later ineens weer onrustig wordt, moet ik dan terug naar twee dutjes? Het antwoord is bijna altijd nee.

Slaapregressies rond achttien maanden, twee jaar of bij belangrijke ontwikkelingssprongen zijn een normaal verschijnsel en hebben zelden te maken met het aantal dutjes.

Ze hebben te maken met cognitieve sprongen, taalexplosies, scheidingsangst-fasen of fysieke groeispurts. Terug naar twee dutjes draait een succesvol gestabiliseerd ritme terug om iets op te lossen dat daar niet de oorzaak van is.

Wat wel kan helpen tijdens een regressie: het ene middagdutje iets langer maken (twee uur in plaats van anderhalf), tijdelijk weer een vroegere bedtijd, en kort en strikt vasthouden aan het inslaapritueel zonder erin mee te gaan met nieuwe protesttactieken.

Een uitzondering: een peuter die door ziekte (oorontsteking, hand-voet-mondziekte) een week buiten zinnen is geweest kan tijdelijk wel weer een powerdutje van twintig à dertig minuten in de ochtend kunnen gebruiken, maar dat is herstel, niet een terugkeer naar twee dutjes als ritme.

Zodra het kind hersteld is, bouw je dat ochtenddutje binnen drie à vier dagen weer af.

Het middagdutje loslaten na 3 jaar

Op een gegeven moment, ergens tussen tweeëneenhalf en vier jaar, komt de volgende grote overgang in zicht: het loslaten van het middagdutje helemaal. Dat is een hele andere stap dan van twee naar één, en het hoeft op deze leeftijd nog totaal niet aan de orde te zijn.

Veel kinderen blijven tot ver in de drie- of vierjarige leeftijd profiteren van een middagdutje van een uur of anderhalf.

De signalen dat het tijd is om los te laten: het middagdutje wordt structureel geweigerd, het inslapen 's avonds wordt op dutjesdagen juist moeilijker dan op dagen zonder dutje, en je kind blijft 's middags helemaal in balans zonder oververmoeide instortingen.

Een mooie tussenstap is het "rustmoment" of "quiet time": in plaats van slaap een vast halfuur tot uur waarin je kind alleen in zijn kamer is met boekjes, een knuffel of zachte muziek. Dat houdt de gewoonte van een dagelijkse pauze in stand, geeft jou een rustmoment, en biedt slaap op de dagen dat zijn lichaam het nog nodig heeft.

Veel kinderen vallen in deze fase een paar dagen per week spontaan in slaap tijdens hun rustmoment en blijven andere dagen wakker, dat is een gezonde zelfregulatie. Dwing nooit slaap af, maar maak de rust ook niet onderhandelbaar.

Het lichaam doet de rest.

Mythes rond dutjes

Rond peuter-dutjes circuleren een paar hardnekkige mythes die ouders onnodig veel kopzorgen geven. De eerste: "Hoe minder hij overdag slaapt, hoe beter hij 's nachts slaapt." Dit is een omgekeerde wijsheid die in werkelijkheid de oorzaak is van veel slechte nachten.

Een oververmoeide peuter slaapt slechter in, wordt vaker wakker en staat vroeger op. Voldoende dagslaap is een voorwaarde voor goede nachtslaap, niet een vijand ervan.

De tweede mythe: "Mijn buurvrouws kind doet al maanden één dutje, dus die van mij is te laat." Vergelijken werkt zelden in slaapland. De spreiding op de overgang naar één dutje is zo groot dat een verschil van vier maanden tussen twee peuters volstrekt normaal is.

Niet je buurvrouw maar de signalen van je eigen kind zijn de leidraad.

De derde mythe: "Een powerdutje van tien minuten in de auto is geen echte slaap." Helaas wel. Voor een peuter is elke wegduikende minuut achterin de stoel slaapdruk die wegloopt.

Een ritje van tien minuten kan een goed middagdutje volledig saboteren.

Plan langere autoritten waar mogelijk rond de dutjesperiode, of vervang het dutje door een rustmoment thuis als de timing klem komt te zitten.

De vierde mythe: "Een goede peuter slaapt twee uur middag." Anderhalf uur is voor veel peuters perfect, en sommige kinderen doen het structureel op één uur en een kwartier met prima nachten. De duur van het dutje is minder belangrijk dan de combinatie van inslapen, niet-instorten in de namiddag en goed slapen 's nachts.

Beoordeel het ritme als geheel, niet één variabele eruit gepikt.

Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

Alles wat je wil weten.

Hoe lang duurt de overgang van 2 naar 1 dutje?+

Reken op gemiddeld twee tot vier weken voordat een nieuw, stabiel ritme zich heeft gesetteld. De eerste week is doorgaans het meest hobbelig: je peuter is in de namiddag soms zichtbaar oververmoeid, valt om vijf uur bijna in zijn pasta of huilt om niets. In de tweede week begint het lichaam zich aan te passen aan de langere wakkere tijd in de ochtend, en wordt het middagdutje langer en regelmatiger. Tussen week drie en vier zie je meestal een vrij voorspelbaar patroon ontstaan met één dutje van anderhalf tot twee uur rond half één. Sommige kinderen pakken het binnen zeven dagen op, andere hebben zes weken nodig, beide zijn binnen de bandbreedte van normaal en geen reden tot zorg.

Mag mijn peuter een dutje overslaan als hij weigert?+

Een keer overslaan is niet schadelijk, maar elke dag overslaan tussen 13 en 18 maanden meestal te vroeg en geeft een oververmoeide peuter die slechter slaapt 's nachts. Wanneer het ochtenddutje wordt geweigerd kun je het beter inkorten of vervroegen dan helemaal schrappen, een powerdutje van twintig à dertig minuten houdt je kind overeind tot het middagdutje. Pas wanneer het ochtenddutje structureel (meer dan tien dagen op rij) wordt geweigerd én je peuter niet kribbig wordt in de namiddag, is het tijd om hem definitief los te laten. Het middagdutje blijft daarna jarenlang belangrijk en sla je nooit zomaar over zonder duidelijke reden.

Wanneer kan ik het middagdutje helemaal loslaten?+

De meeste kinderen hebben hun middagdutje nodig tot ergens tussen de tweeënhalf en vier jaar. Voor sommige peuters begint het proces rond de twee, voor anderen pas op vierjarige leeftijd. Signalen dat het tijd is om los te laten: je kind weigert het dutje structureel meerdere weken achter elkaar, het avondinslapen wordt op de dutjesdagen juist moeilijker, en je peuter blijft de hele dag relaxed zonder oververmoeide instortingen rond zes uur. Een tussenstap die goed werkt is een rustmoment in plaats van slapen, een halfuur in bed met een boekje of zachte muziek. Dat houdt het lichaam aan een dagelijkse pauze gewend, ook als de echte slaap is verdwenen.

Werkt een eerder bedtijd tijdens de overgang?+

Ja, en dit is misschien wel de belangrijkste tip voor week één en twee. Tijdens de overgang naar één dutje is je peuter aan het eind van de dag vaker oververmoeid, en oververmoeidheid is een vijand van goed inslapen en doorslapen. Vervroeg de bedtijd in deze periode met dertig tot zestig minuten, als je peuter normaal om half acht in bed ligt, probeer dan tijdelijk zes uur of half zeven. Dat helpt het slaaptekort opvangen en voorkomt dat de overgang een neerwaartse spiraal van slechte nachten en korte dutjes wordt. Zodra het ene dutje langer en stabieler wordt, kun je de bedtijd weer geleidelijk terugschuiven naar het normale tijdstip.

Wat als mijn peuter het middagdutje weigert?+

Als het middagdutje structureel wordt geweigerd terwijl je peuter rond de 13–15 maanden is, is het zelden tijd om te stoppen, meestal zit er iets in het ritme dat niet klopt. Veelvoorkomende oorzaken: het ochtenddutje is te lang of te laat, het middagdutje wordt te vroeg of juist te laat ingepland, of er is sprake van een korte slaapregressie. Probeer eerst het ochtenddutje in te korten of geleidelijk te verschuiven en plan het middagdutje rond twaalf à één uur. Houd het inslaapritueel kort en voorspelbaar. Lukt het na twee weken nog steeds niet en is je peuter zichtbaar moe maar onrustig in bed, overweeg dan een eenmalig gesprek met een kinderslaapcoach, vaak ligt het aan een detail in het schema dat een geoefend oog snel ziet.

Lees ook

Verder in de kennisbank.

Alle artikelen →